etp-zutphen.com

Home Grappige verhalen Zwitsalie-Toer
Zwitsalie-Toer PDF Print E-mail
Geschreven door Gerrit Wansink   
woensdag, 14 oktober 2009 05:12

ZWITSALIE-TOER50529

 

52 weken na de grote Pikken toer van 2008, zaten we weer op de fiets voor misschien nog wel grotere pikken.  21 passen, waarvan slechts 2 onder de 2000 meter, en de hoogste Passen van Italië en Zwitserland daartussen. Een van die 2 “lage” passen, was dan ook nog de beruchte Mortirolo, samen met de Angiluru en de Monte Zoncolan behorend tot de steilste passen ooit in één van de grote rondes opgenomen. De ZWITSALIE toer 2009 had zijn schaduwen al ver voor uitgeworpen, en van het voorjaar werd er dan ook stevig gefietst.

 

In april waren we  met 8 man in Huisje Heyd, waar Martin Oolbekkink voor de rest van het seizoen op een hoop werd gefietst. De tweede week van juni waren we op het Zinkviooltje in Epen om vast een voorproefje te nemen op de bergen, en in het bijzonder de Mortirolo, door de cote de Drolenval, Redoute en Kinkeweg  te beklimmen.

Ook werden voor de rest de randvoorwaarden geoptimaliseerd. Jaap Roosma had zijn nieuwe epo-Cervelo-fiets gekocht, om de-48 tijdrit seconden van 2008 op mij goed te maken. Vincent Persoon heeft zijn 2e kindje ruim na het fietsseizoen besteld, zodat hij rustig kon trainen. Jan Schippers kwam goed uit het schaatsseizoen, en werd in het voorjaar tot de koning van Beffe [ of Befkoning] gekroond. Rookie Jos Lenselink nam de plaats in van Freek en leverde gelijk 10 kg in, naar zeggen door veel te stofzuigen. Zelf probeerde ik na een handbreukje in februari weer snel terug te komen door met 30 kg bagage de Ventoux op te knarren.

Kortom iedereen stond hieperdepiep aan de start op zaterdag 4 sept in Chur, samen met onze chauffeur en masseur, resp. Hebbo en Jan, die na de belevenissen van 2008 al snel hadden bijgetekend.  Met de supermooie boekjes van Jan in de achterzak [ Jan ik zou ze gaan uitgeven!] en de nieuwe sponsorfietsshirts van Fysiotherapie Meijer uit Warnsveld.

 

Dag 1 Chur – Prato al Stelvio  155 km , 3505 hm

 

Vanuit alle hoeken waren we aangekomen en hadden elkaar die nacht daarvoor begroet op camping Au in Chur. Jaap en Jos waren vrijdagochtend al vroeg vertrokken, om de aan de Bodensee, op de Eurobike-beurs, vertoevende Vincent op te pikken. De rest vertrok vrijdagmiddag om 3 uur uit Deventer, om via veel stau en wegwerkzaamheden om 2 uur ’s nachts in de gereedstaande tent te kruipen.

Bij het ontwaken zagen we, dat we tussen de cowboys stonden, die in een engelse variant op line-dance, een soort paint-ball wedstrijden hadden. Getooid  met cowboyhoed geweertjes grote Amerikaanse slees joegen zij elkaar over de cols. We zouden ze die week nog enige malen treffen.

Na het traditionele wegstouwen van brood en het wegzoeken door Chur, stonden we na 3 km aan de voet van de Lenzerheide pas; 1000 hm in 15 km op zaterdagmorgen. Je denkt dan aan de voet van de klim, hoe zal het gaan, weer een jaar extra getraind, het zal nu wel gemakkelijker gaan. Vergeet het maar al snel staat bijna het allerkleinste koffiemolentje geschakeld. Het eerste stuk is net Alpe d Huez, rustig kom je aan rijden, een onverwachte afslag en de muur begint. Binnen honderd meter wordt de pikorde voor de rest van de vakantie bepaald. We schieten snel omhoog Chur uit, en na de pittige beginkilometers bevinden we ons hevig zwetend, tussen de mooie bergweiden. Wat ook snel omhoog schiet is de hartslag van Jos, bij plaatsvervanging is Jos na de eerste kilometers al benoemd als opvolger van graaf Tel; Cor. Regelmatig komen waardes als hartfrekwentie, stijgingspercentage en trapfrekwentie door. De klim herken ik nog van een eerdere afdaalwedstrijd met oa. Jan Graafmans en van een wintersport vakantie. De lucht is strak blauw en in de verte zie je de sneeuw liggen. Lenzerheide op de top is een groot plateau met een traditioneel meer, en huisjes en winkels. Jos krijgt een mooi warm welkom in de bergen en wordt bijna van de fiets gereden, door een afslaande auto. Binnen het uur zijn we allemaal boven en kunnen de jasjes aan voor de mooie afdaling naar Tiefencastel, waar we revanche nemen voor Jos. Een beetje hitsig tijdens de 1e afdaling, proberen we de snelheid op te voeren en auto’s in de haarspelden binnen en buitenom in te halen.

De volgende klim is er eentje van bijna 44 km. In een paar trapjes gaat het via Davos, naar de Fluelapas op 2383 hm. De jasjes kunnen al snel uit want we beginnen met een mooi opwarmertje van ca 3 km. Daarna vlakt het wat af en rijden we tegenwind, tussen de mooi geschoren alpenweiden door en zie je rechts het dal van de Albula, met in de verte de verse sneeuw in de buurt van de Bernina, en het riviertje Landwasser. Maar de omgeving is duidelijk, dit blijft niet zo. We komen steeds verder boven het riviertje, terwijl de weg naar Davos toch duidelijk de rivier volgt. Na 14 km bereiken we het dorpje Wiessen en daarna kunnen de benen gedwongen rusten, en gaat het 200 meter omlaag. Vervolgens komen we in een tunnel van 3 km, en daarna is de omgeving direct anders. Het riviertje stroomt weer op gelijke hoogte direct naast de weg, en er ligt een spoorlijntje. Alle uitzicht is verdwenen, de berghellingen is het enige dat rest. Rookie Jos spreekt hier voor het eerst zijn legendarische woorden “ik hou achter het verkeer wel in de gaten “, en wij draaien de laatste kilometers tegen de wind in weg. Even voor Davos wordt het dal weer breder, en tussen de weilanden wordt na 32 km fietsen het plaatsje bereikt dat voor ons zo bekend is door het astma centrum en de ijsbaan.

Na de koffie begint voor mij een lijdensweg, 2 dagen voor vertrek werd ik plotseling overvallen door de griep en net als vroeger verwende ik mezelf met rijstebrij; licht voor de maag maar niet veel calorieën. Dus mijn motortje was aardig leeg en dus moest ik op mijn gemakje de laatste 700 hoogtemeters doen . Iedereen reed vlot bij mij weg en zo kon ik mooi op mij heen kijken . Het onderstuk gaat door de naaldbomen omhoog en langs klaterende watervalletjes. In de verte ligt de sneeuw die gisteren is gevallen en samen met de tegenwind maakt het dat het koud aanvoelt. Boven de boomgrens is het mooi, rechts van mij eens geen strak gazonnetje, maar mooi ruig maquis of struikgewas met flarden sneeuw en piepende marmotten [ geen bevers Jos!] ,links de woeste stenen hellingen met sneeuwflarden. Na 50 minuten ben ik boven en staat iedereen al met de jasjes aan bij de bus. We vertrekken snel voor de mooie afdaling naar Susch en Zernez en daar besluit ik maar in de bus te kruipen.

Vanuit de bus zie ik de jongens omhoog rijden de Ofenpas op. De pas ligt in een Yellowstone achtig park met veel rotspartijen en dennenhout. Er wordt veel aan de weg gewerkt en ik probeer Hebbo uit te leggen dat het rode licht voor Zwitsers betekent dat je moet toeteren. Als je namelijk op de fiets door rood rijdt in Zwitserland toeteren de automobilisten steevast. De omgeving is schitterend met de schakeringen van kleuren van de dennennaalden, het motorverkeer is talrijk en ook zien we 3 militairen op klassieke Gazelle fietsen afdalen met een buks om de nek. Apart trouwens eens in de bus, je ziet heel andere dingen, bijvoorbeeld een automobilist die stopte bij het bordje van de pas en met ramen dicht en draaiende motor een fotootje van het bord maakte door de voorruit heen. Zo kan je ook vele passen bedwingen in een dagje! Op de pas wacht ik netjes tot iedereen stuk voor stuk binnenkomt voor de mooie topfoto met het bord erbij.

Wat volgt is de afdaling over de grens naar Prato aan de voet van de Stelvio, 31 km dalen 1200 daalmeters, betekent dat de fietsers niet veel na ons op camping Sagemuhle aankomen. Hun enige oponthoudt is de grenswacht die we ingelicht hadden over het feit dat iemand met bril en grijze Trek geen paspoort bij zich had [!].

De ambtenaar heeft het spelletje mooi mee gespeeld en Jan nog ff een onrustig momentje bezorgd.

 

 

Prato al Stelvio – Temu  116 km 3520 hm

 

Dat was wel een mooi nachtje daar op Sagemuhle. In de tent van Jan werkte het zaagmolentje van Jaap prima, waardoor Jan net als thuis bij Janny even met een mooie maaibeweging met het kussen Jaap tot ander geluiden probeerde te brengen .

Om half 8 was iedereen al weer present om zich klaar te maken in de mooie helblauwe pakjes van de sponsor. Vandaag al naar het dak van de ronde  en als toetje nog de Mortirolo.

Het overslaan van de laatste col gisteren heeft me goed gedaan, en ik zie er dan ook naar uit om voor de derde keer de Stelvio op te klimmen.

Het beloofd een mooi weertje te worden met de helblauwe lucht. De klim is 28 km lang en stijgt 1841 meter tot 2757 hm, met 48 mooie bochten, die iedereen al wel eens gezien heeft op mooie wielersportfoto’s. Het begin van de klim loopt langs een woest kolkende rivier, die al het gletsjerwater van de berg naar beneden voert. De damp hangt, als een melkwitte vloeistof, boven het water en verkwikt aangenaam. De aanloop is breed en verandert, vanaf het laatste dorpje Trafoi, in een mooi slingerende bergweg door de bossen. Het is vandaag zondag en onvoorstelbaar druk met racende motoren en auto’s. Ik rijd samen met Vincent rustig omhoog, af en toe omcirkelt door Jaap, die met het foto toestel op pad is. Jan en Jos komen mooi mee en blijven in het begin steeds in het zicht. We rijden tussen de 10 en 12 km p/u en halen veel fietsers in. Het wordt al lekker steil en tegen onze gewoonte in nemen we niet alle binnenbochten, soms is een bocht een verademing om even de druk er af te halen. De bochten zijn genummerd en komen langzaam voorbij. Eenmaal voorbij de boomgrens, bij Gasthaus Weiβer Knott, is de hele verdere klim, tot aan de top in een blik te vangen; een fantastisch gezicht,een muur die zich als een slang van opvolgende haarspelden tegen het majestueuze decor, van de Ortlerspitze met Gletscher [3905 meter] schurkt. De top is goed zichtbaar want je ziet in de verte ook al het restaurant liggen . De bochten volgen elkaar nu snel op, de haarspelden zijn hier zo krap dat grote voertuigen, niet in een keer de bocht kunnen nemen. Gelukkig kunnen we overal nog een gaatje,vinden en hoeven we niet van de fiets. In 1 uur 50 minuten zijn we boven en kunnen we met de fiets op het terras nog net een plekje vinden, tussen alle motormuizen. Hier doet zich het bizarre feit voor, dat je in de blote bast zit uit te wasemen, terwijl de skiërs met hun plompe schoen en blitse skipakken naar beneden komen, voor hun middag maal. We komen allemaal binnen het kwartier van elkaar boven,  zonder al te veel problemen. Iedereen heeft genoten van de schitterende klim, totdat het fluitje in de achterzak van Vincent begint. Het fluitje is de telefoon die aankondigt, dat Jan en Hebbo zijn blijven steken in de klim doordat de ventilator is uitgevallen. De ETP bus was  dus ook al warm geworden in de klim, dat is een tegenvaller. Gelukkig kan Hebbo na een half uurtje en wat extra weiwater omhoog komen.

Dan is het wel te laat voor Jos, die nog moet leren te eten als hij boven is. De hitte en het naijlen van de inspanning vreten hem zichtbaar uit. Ondanks het feit dat hij blijft delibereren dat hij alles in eigen tempo heeft gedaan, goed op de trapfrequentie heeft gelet, krijgt toch een hongerklopje in rust en stapt in de bus.

Wij vertrekken voor een afdaling van 50 km, naar de voet van de Mortirolo.  Dat Italië een echt fietsland is, blijkt wel uit het feit dat er een autoweg is afgesloten, maar speciaal voor fietsers is er een afzinkje gemaakt van 18%, wat ons 15 km omfietsen scheelt. In Grosio monsteren we nog voor het laatste brood en cola om vervolgens in Mazzo aan de imposante klim te beginnen; 1300 hm in 11 km.

Mazzo een klein dorpje, met hooguit 500 inwoners, smalle straten met klinkers, en mensen die ogenschijnlijk meewarig kijken als ze racefietsers zien,die hun smalle pas op rijden. Wie niet meewarig kijkt is de hond, die plots opduikt op het moment dat we boven de 20 km u rijden. Na het dorpje gaat het gelijk met 8- a 9 % omhoog door bomen, en stukken bos met gelukkig nog wat schaduw. De weg is daar nog best breed, hij klimt wat maar daalt daarna ook weer even. De weg is ook pikzwart, en de mooie belijning doet vermoedden, dat het een grote belangrijke autoweg is.  De pas heeft dus niet voor niets, als tweede naam Passo di Foppa. Je wordt namelijk gewoon gefopt, want nog voor je de laatste huizen achter je laat, is het goed mis. De weg stijgt echt ongewoon hard, hele stukken 10-12-14 % met uitschieters naar 18 %. Geen moment rust, geen moment de benen ontspannen, de neiging onderdrukkend om af te stappen, want je komt nooit meer op de fiets. Deze berg tart alle logica over de wegen op cols. Elke col heeft na zo’n steil begin, al gauw een vlakker stukje, de Mortirolo niet. De weg is niet in te schatten, qua loop en qua steilte. Bij de boerderijen die aan de route liggen, is het rustig en de Italianen liggen, zonder uitzondering op een stoel onder de boom te slapen. Drinken en eten zijn moeilijk hier, omdat je alle kracht nodig hebt, om je aan het stuur op te trekken en te duwen . Na 10 km komen we door een bocht, waar Marco Pantani wordt geëerd met doeken en bloemen en een beeld. Vola Pirata lassu in Cielo. Ontroerende spandoeken en dankbetuigingen voor de piraat, maken er een indrukwekkende plek van .Zelf was dit ook bijna mijn plekje geweest, maar gelukkig kon ik nog net op tijd aan de kant, voor de geschrokken slippende dalende motorrijder. . Pantani reed hier in 43 minuten omhoog; ongelofelijk. Robert Gesink heeft op zijn twitter een tijd van 55 minuten staan, en zelf kom ik 1 uur 20 boven, terwijl Vincent en Jaap dan al boven zijn. Jan komt nog iets later, en begint steeds krommer op de fiets te zitten . Jan was niet alleen omringd door vliegen deze tocht,maar hij had ook een zwarte vlinder gezien, met een mooie gouden rand, die hem steeds toelachte.

Cols als de Mortirolo geven een dubbel gevoel. Naar dat soort beklimmingen kijk je uit, het zijn mythische cols, en het is één groot avontuur. Aan de andere kant kun je je niet voorstellen, dat je daar omhoog moet fietsen.  Je moet op een aparte manier trappen om boven te komen. Staan op de pedalen lukt niet, want dan slipt je achterwiel door. Achterop het zadel zitten, gaat ook niet want dan kieper je achterover. Dus je klimt als het ware “in” de fiets. Een beetje half staand, half zittend.

De afdaling is gelukkig strak geasfalteerd, en mooi omgeven door een witte streep en zo komen we vlot in Monno, waarna het nog slechts een eitje is, naar het 20 km verderop gelegen Temu.

Hebbo en Jan hebben de routine er al goed in, want de tentjes staan strak en het koude bier kan genuttigd worden met chips

 

Dag 3 Temu- Chiavenna 174 km, 3529 hm

 

Gisteravond was het afgelopen met het Duits praten, we zaten in een puur Italiaans restaurant terecht, incluis de jengelende kinderen en de Tv die steeds aan staat. Bier en wijn maakten dat we goede nachtrust hadden . De ochtend werd in afwachting van het brood besteed aan fietsreparatie, en vooral kijken naar de ventilator van de auto. We hadden al een noodplan, met een reparatie in St Moritz, of een eventuele autowissel in Chur. De bakkers bleken volgens de camping eigenaar allemaal dicht in de buurt, dus werd de magnetron op defrost gezet, zo kregen we nog een paar keiharde broodjes. Onder de noemer het hoeft niet lekker te zijn als het maar genoeg is, indachtig Jos Kupz begonnen we toch maar te malen. Yoghurtjes moesten onze maaltijd kompleet maken. Een raar gevoel wetende dat je de etappe met de meeste kilometers vandaag voor je hebt.

Met karig gevulde magen ging het dus op pad, eerst 3 km tot het eerste dorp, waar prompt de 1e beste bakker open was, en vervolgens met veel tegenwind naar Ponte Legno aan de voet van de Gavia. De Gavia is bekend van het legendarische duel tussen Breukink en vd Velde, die in 1988 met korte mouwtjes in de sneeuw omhoog gingen. . Wilfred de Jong van sportpaleis de Jong heeft in 2001 daar een schitterende remake van gemaakt; ‘Pijn van de kou’ http://www.vpro.nl/programma/sportpaleis/afleveringen/10284925/

De eerste kilometers na Ponte Legno zijn niet steil, met een procent of 5 rijden we over een brede weg, het dal uit tot het dorp Santa Appolonia. Daarna passeren we een slagboom en wordt de weg gelijk een stuk smaller. Denk je dat je met de Mortirolo alles gehad hebt, maar hier gaat het onverdroten voort met percentages van 14 en 16 %, lang meanderend zonder bochten. Toch houden de steile gedeeltes niet lang aan, de Gavia geeft je ruimte om te herstellen. Het uitzicht op de met sneeuw en ijs bedekte massieven, van de Adamello en de Presanello wordt spectaculairder naarmate we hoger komen. Na het bos fiets je langs diepe afgronden, en veel begroeiing is er niet meer. Je komt langs een ongerept rotslandschap, waarbij je slechts door een vangrail van hout wordt beschermd. Je rijdt continue op de rand van de berg. Dat komt doordat je eigenlijk een lange, rechte weg naar het noorden volgt. Uiteraard onderbroken door haarspeldbochten, die je even zuidwaarts voeren. Het wegdek is prima en in de verte, zie je dan al de tunnel liggen waar zo veel over is gezegd. 1200 meter lang, geen verlichting en ongeveer 8 % stijging. Je raakt er volledig gedesoriënteerd, van Jos hoorde ik later dat ik helemaal links in de tunnel fietste. Na de tunnel gaat het zonder al te veel bochten door rotsige weiden, en met veel tegenwind naar de rifugio op de pashoogte. 2610 m hoog met 2 mooie bergmeertjes, en in de hut foto’s van de ijzige beklimming van 1988. Dan was ons ritje vandaag in de zon, daarbij maar een peulenschil. Jan komt laatste boven en gaat zijn broodgebrek compenseren, met een stevige soep met daarbij broodjes, die wij hem bijna uit zijn mond kijken . Als we daar zo zitten, zien we plots de witte Volkswagen langs scheuren . Hebbo en Jan hadden weer warmte problemen in het steile stuk van de klim, en schatten dat wij al in de afdaling waren. Dus plichtsgetrouw als ze zijn, geen oog voor de natuur, eerst de wielrenners opzoeken. .

We volgen hen snel en halverwege ziet Hebbo, onze mooie jasjes in de achteruit kijkspiegel. Het is onbegrijpelijk hoe Breukink en Hampsten destijds, in de koude zonder vallen beneden zijn gekomen. Zelfs nu is het bovenste deel van de afdaling gevaarlijk  Al stuiterend en hobbelend, dender je naar beneden over het smalle weggetje   Gelukkig maken ze  een stop voor cola en brood, en zo kunnen we weer goed gefoerageerd ,beginnen aan de passage van Livigno.  Een belastingparadijs tussen Italië en Zwitserland. . Hebbo en Jan rijden door naar st Moritz, om tussen de rijken der aarde te zoeken naar een garage voor de ETP bus. We komen Livigno  binnen via de Passo di Foscagno. Een mooie gelijkmatige klim, over een brede autoweg van 24 km en 1000 hm. Waar we in volgorde binnenkomen . Jaap en Vincent voorop, die klimmen ca 950 meter per uur. Ik daar achter met ca 900 meter per uur en daarachter Jos en Jan op ca 800 meter per uur. Jan heeft het zwaar, en komt steeds meer voorover gebogen binnen De 1e dag maakte hij nog een mooi verhaal, van een motorrijder met een aërodynamische rugprotector. Kiek zei Jan;” die motorrijder, heft de mage op de rugge, doar geet al de spaghetti noar toe”. Bij Jan lijkt ook alles inmiddels omgedraaid in zijn lijf te zitten .

Het bood ons mooi de gelegenheid voor een tukje en een plasje bij de grens. Sinds Schengen hebben douaniers weinig te doen dus, letten ze extra op wildplassende fietsers, en wordt ik als een klein jongetje terecht gezet.

Na de Foscagno hebben we nog de Passo de Eira, een niet veel betekenende pas waar ik mijn 2e moeliesje scoor, vervolgens de Forcola de Livigno. Een mooie klim door een weids alpengebied, met massief hooggebergte met witte sneeuw daaromheen. De weg voert door galerijen en brengt ons opnieuw bij de grens met Zwitserland. Jan heeft deze keer steun van een echte Spartamet, geleverd door de jonge productmanager van dit Apeldoornse bedrijf, in de vorm van een duwtje van 5 kilometer. Na het winkelparadijs van drank, tabak en parfum, komen we tussen de witte pieken van de Bernina en de Diavolezza. Slechts een klein hupje van 4 km en 300 hm brengt ons terug naar 2328 hm. De lengte van de dag, en het aantal hoogtemeters, begint inmiddels aardig door te knijpen. Jan krijgt deze keer de steun van een echte Suzuki- Met, hangend met de arm aan een motorrijder, komt hij boven.

Bovenop ligt een schitterend bergmeer met water van de Moterartsch Gletscher, daarnaast liggen de rails van de Glacier express, het beroemde treintje van Zermatt naar Tirano. Dit is echt ruig hooggebergte, rots, stenen en sneeuw, hier geen gemaaid gras.

De weg loopt vervolgens licht af in 20 km, naar St Moritz waar het geacheveerde volk, na veel overredingskracht  van onze verzorgers de auto heeft gerepareerd. Een mooi moment voor Jan om zijn welverdiende rust te pakken. We vertrekken met zijn vier voor de laatste 50 km, waarvan nog 18 naar de Maloja pas, en daarna nog 32 in vliegende vaart naar beneden . De Maloja is dit jaar bekend geworden van de horribel val van Horillo, die onder de vangrail door is geschoten. Iets kun je je daar wel van voorstellen, want het bovenstuk is een en al bocht. De 50 km leggen we al neuriënd, met het Blood Sweat en Tears nummer “What goes up, must go down” af in 70 minuten, op weg naar Chiavenna.

De laatste Italiaanse stad; aangenaam warm, op slechts 330 meter hoogte . Levendig en met een schitterend hippe pizzeria. Jaap doceert. Een mooie hobby toch dat fietsen, de  hele dag trappen, daarna veel en lekker eten, de volgende ochtend gewoon weer flinke trek

 

Dag 4 Chiavenna-Faido 148 km, 2980 hm

 

We zitten vanochtend voor het laatst in Italië, dus nog even genieten van ongemaaid gras en bevolkte terrassen . De 1e beklimming begin direct vanuit Chiavenna, en is de bekende Splugen pas, de Alpen-transit pas die veel fietsreizigers nemen,op hun weg van Nederland naar Rome. Wij gaan deze keer omgekeerd, en dat betekent 1800 hm in 32 km,  en het Blood Sweat en Tears liedje omgekeerd dus. De beklimming begint direct vanuit de rotonde in het dorp, het is weer een aangenaam temperatuurtje, en op onze weg alleen boeren met veewagens, die zo geleidelijk de koeien uit de bergweiden halen. We rijden in een mooie smalle kloof omhoog en komen door een paar luie dorpjes, totdat na zo’n 15 kilometers het bekendste stuk van de Passo Spluga komt. Zo’n 20 kort achter en boven-elkaar liggende haarspelden, voor een groot deel gelegen in tunnels en galerijen. Een hoogstandje van weg en waterbouw, waar we elkaar mooi kunnen bespieden. Het is een lange klim, maar als eerste van de dag prima te doen. Vanaf het dorpje Madesmo wordt het gemakkelijker, en loopt de klim door naar het stuwmeer, en vervolgens Monte Spluga. Heimelijk had ik gehoopt dat daar het eind zou zijn, want de mensen zaten heerlijk op terrasjes in de zon. Echter de bus en Jaap en Vincent, waren nog voor mij Soms heb je wishful busvisoenen, en zie je overal witte Volkswagenbussen met bananen, maar helaas het was nog 300 hm te gaan. Het laatste stuk was onbegroeid, en door de wind was het nog stevig drukken, totdat de top en grens tussen Italië en Zwitserland bereikt was. Gelukkig hadden Hebbo en Jan de stoeltjes ook buiten gezet, en zaten we ff lekker in de zon te smikkelen van al weer zoete spullen . 3x per dag tandenpoetsen is wel een must,op een dergelijk fietsvakantie om alle emailleer van de tanden te houden. Iedereen had een goede dag vandaag en na een korte stopje, waren we verzameld en konden we door naar beneden. Een niet te lastige afdaling door een mooi dal,met wat haarspelden naar Splugen. De omgeving is gelijk weer anders, koeien met grote bellen, superstrak asfalt en vooral veel gemaaid gras. In Splugen volgden we de weg naar de San Bernardino, samen met de Splugenpas, voor het gereed komen van de Gotthard tunnel en de Brenner de belangrijkste grensoversteken naar Italië.

Over de klinkertjes langs de Hinterrhein, moeten we een beetje onze weg zoeken door het dal, in de verte kan je al de imposante bergtoppen zien liggen. Daar waar de auto’s in de 15 km lange tunnel gaan op 1600 hm, begint voor ons de mooie klim over de pashoogte. Het lekkere zonnetje, en de mooie brede weg, wetend dat het maar 10 km is,  maken dat het gas er nog eens flink op gaat. We zien elkaar al snel niet meer maar in het bochtige bovenstuk zie ik Vincent toch zeker 3 bochten boven mij fietsen . Onwaarschijnlijk hoe gemakkelijk en hard hij omhoog rijdt, kort gevolgd door Jaap. Ik zit dan op gepaste afstand, en als ik naar beneden kijk zie ik Jan in het hemelsblauw fietsen, en Jos rustig met de handjes op het stuur met zijn zwarte bandana op. Jos met zijn bijna 90 kg begint het klimmen inmiddels goed onder de knie te krijgen, hoewel hij zijn achterop blijven, blijft verantwoorden met;  rustig in eigen tempo omhoog, en verkeer in de gaten houden komt hij goed omhoog, hoewel de knie hem wat parten begint te spelen. Boven op de pas bij het traditionele meertje en Hospiz, wordt ons de koffie onthouden. De Chauffeurs liggen in het gras, en de koffie zou te duur zijn, dus moet er eerst gedaald worden. We hebben een afdaling van 50 km voor ons naar Bellinzona, en de chauffeurs moeten nog tanken. We spreken af dat we in het eerste tentje gaan zitten, nadat ze ons hebben ingehaald. De afdaling begint vlot met mooie haarspelden, naar het dorpje San Bernardino, en daarna geven we nog eens flink gas met aflossingen van 2 km. De bus zien we pas terug als we in Bellinzona zijn, de hoofdstad van Ticino, bekend om zijn kastelen.

Na de koffie en brood is het voor ons nog 17 km dalen naar Biasca, die we alsof een ETP treintje op zondag afleggen, en dan nog 25 km langs de secundaire weg op weg naar de voet van de Gotthard, waar we halverwege stoppen in Faido. Een afschuwllijk dal; 1 autosnelweg, 2 spoorlijnen, 1 rivier en een secundaire weg gepropt tussen de berg in een dal van hooguit 100 meter breed en aan beide zijden hoge rotsen. Hier komt geen dier eens lekker tussen de bomen vliegen of wandelen . Het gaat nog steeds stevig door en met nog een klein klimmetje bereiken we vlot de camping, die ook al zo opgepropt ligt tussen alle verkeersaders.

Een camping met een ijskoud zwembad en wederom strak gemaaid gras. We zijn mooi op tijd binnen vandaag en kunnen nog ff lekker onder de boom liggen met een biertje, en een paar baantjes zwemmen. Eerst laten we Sjans [ vroeger snelle Jan, nu strakke Jan] te water gaan, en als zijn vetgehalte voldoende is, om niet af te sterven, kun je rustig aannemen dat het aangenaam warm is.

 

Dag 5 Faido – Innertkirchen   102 km, 2805 hm

 

De ligging van de camping, en de omgeving benam ons de lust om gisterenavond nog weer op pad te gaan, en dus hebben we gegeten in het campingrestaurant. De kentekening van Zwitserland begint bij mij met; overgeorganiseerd, duur, overal gemaaid gras, of grasmaaiende mensen, en alles gereguleerd. Op de camping het toppunt meegemaakt; bier ging niet over glazen maar over deciliters wilt u 0,2, 0,3 of 0,5. Maar toen ze bij de grappa begonnen over 1,4 of 1,6 zakte mijn broek werkelijk af.

Ondanks de oase [ of is het oekaze]  van infrastructuur hebben we toch nog redelijk geslapen tot een uur of 6, toen we gewekt werden door een vrachtauto, die strak achter de tent langs reed.

Na het brood wegstouwen [ een brood van 1,2 kg] moesten we nog even het laatste stuk door het dal wegtrappen naar Airolo, bij de meeste Nederlanders wel bekend van de file op bij de Gotthard, tunnel. Toch nog een flinke trap over 20 km met 400 hm, het is inmiddels wel duidelijk dat Jaap en Vincent de sterksten zijn, en zij nemen dan ook het grootste deel, van het tegenwind- stuk voor hun rekening. Het verkeer in de gaten houden aan de achterkant, wordt inmiddels steeds vaker badinerend gebruikt, en ook nu wordt de plek met graagte door iemand ingenomen. De achterkant was vanochtend voor mij, en ik heb genoten van de omgeving, met in de verte de besneeuwde toppen, om de Gotthard heen, met daarop zichtbaar de pasweg met galerijen. Wij nemen vandaag de oude pasweg, de Via Tremola, bekend van de passage van Hannibal over de Alpen . De weg is beroemd of berucht, door zijn vele stukken met kinderkopjes en wel ongeveer 40 serpentines. De aanloop is rustig, door de mooie weiden en langs een paar terrasjes. In die tijd kruis je ook een aantal keren, de nieuwe pasweg. Op de meeste plaatsen is de weg van goed asfalt voorzien, maar als voorbodes, liggen er ook al een aantal kasseistrookjes. Het is altijd moeilijk daar je ritme te bepalen, welke versnelling, ga je midden over of juist langs de rand. Het stuiteren maakt het niet aangenaam en dwingt je te blijven zitten. Of… zoals de  wielrenners in de Ronde van Vlaanderen,; gewoon staan, zware plaat erop en raggen . Vincent geeft daarvan een mooie demonstratie, waarvan iedereen verwacht dat hij zal plafonneren, maar hij houdt het lang vol . De laatste 6 kilometer zijn volledig van klinkertjes voorzien,  met aan de zijkanten een smalle grupje, en als extra handicap nog een  stevige koude bries. Het is helder weer, en ik zit te genieten op de fiets; lekker op de koffiemolen omhoog, niet te veel verkeer en een architectonisch juweeltje. Boven elkaar gebouwde, elkaar snel opvolgende serpentines, wel 40 in totaal. Na een klein uurtje klimmen heeft iedereen de 13 kilometer afgelegd, en staan we in een striemende wind te wachten op Hebbo die onze  jasjes en helmen heeft. Ondanks Tom-tom, de mooie kaarten in A3 formaat, en de vele verkeersaanduidingen, heeft Hebbo de oude pasweg niet kunnen vinden, en heeft al dit moois laten liggen door over de grote weg te gaan.

Na een kwartiertje wachten worden we herenigd met onze jasjes en helmen en knallen we naar beneden, naar Hospental en dan op weg naar de Furka, waar we waarschijnlijk de wind in de rug zullen hebben .

Het eerste stuk naar Realp is nog vlak, maar dan begint het klimmen weer. Eerst winnen we flink hoogte door 9 bochten, en dan komen we in de weidse blik van het dal waarin de Furka en de Rhone ontspringen. Hoog alpien landschap, watervalletjes, weids zicht, koeien, koeienstront en de mooie Glacier express die onder ons langs loopt. De top op 2400 meter is al van ver te zien, en nadert makkelijk. Het klimmen begint te wennen, en geleidelijk aan komt de vorm eraan. We hebben met Hebbo en Jan, 4 km over de top afgesproken bij de beroemde Rhone Gletscher bij Hotel Belvedère. Lekker in het zonnetje, een moment om de broek en billetjes eens lekker te laten drogen onder het genot van een taartje en koffie. Ik was hier 5 en 10 jaar geleden ook al, en het is onthutsend te zien hoe sterk de beroemde Furka Gletscher is geslonken.

Vanaf het terras kunnen we de bochten, van de Grimsel beklimming al mooi zien liggen vanuit Gletsch. Het ziet er angstaanjagend steil uit, maar wetend dat het maar 400 hm is komen we daar ook wel weer uit.

Afdalen naar Gletsch dus en dan in volle vaart om gang te houden, jasjes uit en helm aan het stuur, en kijken of er nog een moeliesje in zit. Jaap heeft het zelfde idee en dan wordt het al weer een stuk moeilijker, inmiddels is hij ook al zo uitgenast om overal de binnenbocht te nemen, en de tegenwind stukken tegen de bergwand te blijven . Onmogelijk dus, en samen met Vincent kom ik boven op de Grimsel bij de schitterende meren. Jos heeft het lastig vandaag, doordat hij meer en meer hinder van zijn knie krijgt.

De laatste 27 km is het toetje; we dalen 1400 hoogtemeters onder leiding van daalmeester Vincent. Na een paar kilometer komen we langs het grote spaarbekken , en dan via een aantal lange tunnels, gaat het naar beneden. Volgens Jaap voelde het als baringskanalen; je komt in de donkere tunnel en gaat in schemer met een vaartje van 80 km per uur, weer naar het licht. Na deze persweeën, knallen we langs vele auto, s en autobussen en zijn binnen een half uur beneden in Innertkirchen. Op weg naar de mooie camping bij de Aareslucht, met schitterend fris gemaaid gras op ons plekje. Hebbo is  in zijn element,doordat hij in het Schwitser-duuts met de lokals kan praten over de omgeving. Een prachtige omgeving naar ik later vernam, moe van het fietsen kijk je niet te veel meer rond, maar een wandelingetje in de Aareslucht hadden we eigenlijk moeten maken . De mooie korte etappe maakt dat we nog mooi in de zon kunnen zitten, en Jan nog wat nekjes los kan maken, met in het vooruitzicht de lastige dag van morgen met veel klimkilometers.

 

Dag 6 Innertkirchen –Ulrichen 120 km, 4025 hm

 

Het is afgelopen met spaghetti en pizza eten, gisteravond stond Zwitsers dan Zwitser op het menu; rösti. Piepers, spek en een omlet met wat groene sla er omheen. Koolhydraten stapelen in andere vorm, en vandaag ook EPO snuiven in andere vorm, want Jos werd naast zijn pijnlijke knie,ook nog geteisterd door een fikse bloedneus. Dat zal nog een flinke appel doen op zijn moraal. Na het traditionele omrekenen van Zwitserse francs in euro liggen we al weer tegen half 12 in het mandje voor de vele hoogtemeters van dag 6.

Het ontwaken is al vroeg, de bandjes worden van het verse gemaaide gras ontdaan, en de fiets is al nagekeken voordat het brood arriveert. Jan krijgt steeds meer moeite met een overvloedig ontbijt, en hij toont nu begrip voor zijn zoon Justin die ’s ochtends ook maar geen brood naar binnen kan krijgen . Jan Baake is dan al weer op de tast zijn dagelijkse hardlooprondje aan het maken.

Iedereen staat om 9 uur al te trappelen, met uitzondering van Jos die nog staat te treuzelen en toch schijnbaar een tikkie heeft gehad gisteren. Na wat opporren, kunnen we gezamenlijk beginnen aan de eerste kluif van de dag; de Susten pas 28 km en ruim 1600 hm. Onderdeel van een van de meeste bekende rondjes, voor een zich zelf respecterende fietser; Susten, Grimsel, Furka . De klim is in het begin goed te doen, en loopt afwisselend tussen de zon en in de schaduw. Een lekker temperatuurtje en ik probeer een beetje bij Jos in het zicht te blijven. Jaap en Vincent zijn al vlot vertrokken, en ook Jan Schippers heeft ondanks het karige maal een goede start. Ik heb veel te veel gegeten en krijg de maaltijd nog een paar keer terug tegen de tanden,samen met allerlei boergeluiden. Onderweg komen we langs enkele liften ,die als vertrekpunt dienen voor wandelaars waaronder de Thallibahn [ Jan weet nu ook waar de taliban huist]. Jos haakt na 300 hm af, in de verte hoor ik: “ik draai om”. Even rustig poepen aan de kant van de weg, en de billetjes afvegen met het korte gras, is een must en tegelijk een hele kunst, maar daarna komt het lekker op gang. De weg meandert mooi door met steeds 6 en 7 %, en het is nog rustig. Net voor het restaurant van de Steingletscher, zie ik Jan in zijn helblauwe shirtje omhoog kruipen. Een mooi gezicht helblauwe lucht,in de verte een mooie Gletscher, en dan Jan in het machtige massief. Na wat tunneltjes gaat de weg in een lange recht, vies stijgende ruk door naar de top van de pas, dicht onder de magnifieke Steingletscher. Maagdelijk witte sneeuw, kristalheldere lucht en een schitterend zonnetje, Jaap heeft zijn fiets al mooi geplaatst voor de mooiste Cervelo foto ooit bij de gletscher, en zit daar samen met Vincent te genieten van het plaatje. Helaas heeft fotograaf Jan daar geen zin in, en fietst zonder om te kijken strak door naar de top

Het rekensommetje van 800 hm per uur klopt aardig, dus is het ook nog te vroeg voor de koffie. De afdaling is vervolgens een makkie, nauwelijks bochten een mooi wegdek dat breed genoeg is, omheind met een ijzeren hekwerkje. Links en rechts het prachtige Meiendal, met wat nog wat bloempjes die de maaibalk zijn ontlopen, en achterons de prachtige woeste graniet massa’s met sneeuw en ijs. Onder in het dal ligt Wassen, waar  we ons snel van de afdaalkleding ontdoen om de Duivelsslucht te nemen naar Andermatt. Vanaf hier kronkelt de weg 400 meter slingerend omhoog, door tunnels en met veel stinkende auto’s. Naast ons raast de rivier met klaterend geweld omlaag, en in de verte kun je een fikse rij auto’s zien staan, in de file voor de Gotthardpass.

Halverwege de klim komt de bus ons achterop, en kunnen we de helmpjes en overtollige kleding afgeven. Het is een warme dag dus ook mooi gelegenheid de bidonnetjes te wisselen . Vanuit Andermatt neemt iedereen een andere weg, ik denk slim te zijn, en ik rij door over de hoofdweg, en met de wind in de rug koers ik rustig naar de voet van de Gotthard pas. De wind blijft voor een ieder vandaag, lekker in de rug blazen de hele klim lang. Het is een makkie na de lastige aanloop;  700 hm in 13 km, dat is 45 minuten reken ik uit over de mooie brede gelijkmatige klim. Het draait zo lekker, dat ik weiger de laatste 3 km over de klinkertjes te gaan, maar ik blijf op de hoofdweg. Naar later bleek ben ik de enige die daarvoor gekozen heeft, en ik heb dus ook de mooie koeien gemist die Jan op de foto heeft gezet . Dat levert Jan wel een achterstandje op van een half uur op de top, maar hij heeft toch al de meeste fietsuren. Petje af trouwens voor Jan, die zichtbaar uitput de laatste dagen, maar toch steeds als eerste aangeeft, verder te willen. Bij de bus ziet Jos pas hoe het er toe gaat, Hebbo rolt de stoeltjes uit en alle eetbare spullen uit de bus worden naar binnen gedrukt. Verbaasd roept hij, nu snap ik pas waarom jullie zo kunnen doordrukken, jullie stouwen tussendoor ook nog van alles weg. Dat Jaap ook al een beetje moe begint te worden, blijkt wel uit het feit dat hij het brat en cervelaatworst tentje,  aanzag voor een Cervelo tentje.
De koffie bewaren we nog voor na de afzink in Airolo, waar we hopen op een heerlijk semi-Italiaanse bak. De bus heeft nog een afzinkje over de via Tremola tegoed, om het bouwtechnische wonder te bekijken, wij knallen over de hoofdweg in een zucht de 13 km weg naar Airolo aan de voet van de Nufenen pas.

De koffie en koeken doen het goed, net voor de laatste joekel 25 km klimmen en 1400 hm, waarvan het venijn in de laatste 10 km zit. De Nufenenpas of Passo Novena is met 2478 meter de hoogste pas van Zwitserland.

De eerste 7 kilometer zijn vals plat met tegenwind, door het prachtige Val Bedretto, met aan de rechterzijde nog een tijdje zicht op de schitterende Gotthard pas. Jaap en Vincent loodsen elkaar traditie getrouw, door de wind, maar het gaat mij toch te hard, Jan is al iets eerder vertrokken, dus rijd ik weer rustig achteraan. Dat is toch maar het beste;  fietsen zonder dat je iemand in het zicht hebt, anders probeer je er toch maar naar toe te rijden. De zon prikt onbarmhartig en het beloofd een slopende klim te worden. Dit zijn van die saaie aanloopstukken waarom je om je heen kijkt maar eigenlijk naar niets kijkt, totdat ik plots voor me een rood Agu- pakketje op de weg zie. Het is het rode jasje van Jan die door het schokschouderen is gevallen. In All”Acqua op 1600 meter, begint de eigenlijke klim met direct een steil stuk, waar ik Jan zijn jasje kan aanreiken. Vanaf hier worden de bomen steeds schaarser.  en wordt het groen in de bergen ingeruild voor, grijze steenmassa’s en bovenal veel elektriciteitsmasten. Is het de warmte, of zijn het de stuwmeren die het water tegenhouden, maar de rivieren zijn hier verdacht leeg. Met het bereiken van het ruigere berglandschap, kleine watervalletjes, af en toe bloemetjes neemt ook de steilte van de berg toe, en met grote slagen gaan we omhoog. Hoog boven me torent de weg waar ik de auto’s zie komen, maar geen glimp van Jaap of Vincent. De laatste bochten gaan tussen de steenmassa’s door, en langs een stuwmeer bereik in de top, waar Vincent zit en Jaap ligt. Jaap had zijn traditionele hongerklopje, maar net niet genoeg om hem in te halen. Het is dan al tegen vijven, en volgens afspraak dalen zij af en ik wacht op Jan. Bij de oriëntatietafel kun je in het heldere weer, een stip zien van de Eiger en de Jungfrau. Na een half uur komt Jan helemaal uitgewoond boven, als een automaat doet hij het jasje aan en zegt. Zullen we dan maar weer. We vallen de schitterende afdaling van 13 km in, en Jan gaat strak naar beneden, totdat hij plots afremt. Een beetje suikerleeg is hij wat duizelig geworden, en een reepje helpt hem er dan weer bovenop. In het dal overheerst inmiddels de schaduw en liedjes zingend tegen de koude bereiken we de camping in Ulrichen, waar de tenten inmiddels alweer strak staan, en Jan Baake kan beginnen Sjans weer recht te buigen

 

 

. Dag 7 Ulrichen – Chur  125 km, 2130 hm

 

Alweer de laatste dag, het route boek geeft op de laatste regel “en dan weer snel naar de bergen thuis”. En dat is maar goed ook, de troepen zijn namelijk behoorlijk afgemat. Sjans is zichtbaar afgenomen in gewicht en zijn chemische fabriek,achter zijn navel is behoorlijk van streek, waardoor hij nauwelijks lust tot eten heeft. Jos en ik hebben beide last van de knie, alleen Jaap en Vincent lijken nog ongebroken. Gisteravond hebben we daarom maar besloten de traditionele tijdrit bij gebrek aan competitie en gebrek aan Ernhemmers, om er af te rijden maar geskipt. Vandaag is het alleen maar te hopen, dat de wind gedraaid is en de finale 60 km naar Chur echt alleen maar naar beneden lopen.

Hebbo en Jan Baake hebben vandaag een semi rustdag, en ze gaan proberen de tenten van alle vers gras te ontdoen, en droog in te pakken .

Wij vertrekken met een ingetapete knie van Jos, en steeds strammer wordende pootjes op weg naar de Furka. De aanloop is lekker vlak in de bovenloop van de Rhone tussen Goms en Oberwald, vanaf daar begint de klim . Eerst een stukje naar Gletsch, en dan nog 10 km door naar weer opnieuw 2400 hm. De berg is niet echt zwaar, maar de koude tegenwind zorgt toch voor een flinke geseling. Jaap en Vincent rijden mooi kop over kop omhoog, en ik zie ze steeds verder weg rijden, een ruggetje pakken is mooi, maar dit gaat te hard. De Furka is na de Nufenen één van de hoogste passen van Zwitserland en je kijkt voortdurend op de mooie Rhone gletscher. Op zich gaat het goed, maar de wind maakt je onzeker, vooral als het tempo onder de 9 km pu zakt. Is het hier nu werkelijk zo steil of is het de wind. [ achteraf bleek iedereen die vraag te hebben ], dus moeten we toch nog weer op de trappers lopen. Het laatste stuk naar de top is breed en eenvoudig, daaraangekomen is het koud en kaal. Dat betekent dus dat mijn voorgangers, zijn doorgedaald naar de warmte. Na een strakke snelle afdaling, zie ik de jongens al met de pootjes omhoog aan de koffie zitten. Ik zet het koppie ook in de zon en wat ik zie is een mooi uitzicht met een laatste blik op de Furka, en een rood en blauw jasje die tussen de auto’s naar beneden komen.

We zien ook nog een deel van een toeristische trekpleister; de Alpenabfahrt. Een 4 tal boeren, die in hoog tempo met 10 koeien uit de weiden over de weg naar beneden komen. Een mooi gezicht, pezige koeien met een grote klingelende bel om de hals, in draf naar beneden begeleidt, door de boeren met stokken,om de koeien af te remmen.

Een maal op weg naar Andermatt, komen we de colonne nog weer tegen, verse koeieflatsen links en rechts van de weg. Dwars door het statige wintersportplaatsje Andermatt komen we aan de voet van de Oberalp. Geen tijdrit afgesproken, toch hebben we het idee nog even flink aan te zetten, maar na 500 meter is het al wel duidelijk, Vincent opgejaagd door Jaap schiet er vandoor, en ik kan slechts volgen tot een echt tegenwind stuk waar ik toch 2 tanden kleiner omhoog moet. De 600 hm worden binnen 40 minuten afgelegd, en dan blijk ik toch nog bijna 9 minuten na Vincent binnen te zijn. Jan en Jos komen nog weer wat later en Jos houdt het voor gezien met zijn geïrriteerde knie. Dat betekent voor Jan toch weer dat hij, doordat de koelbox veel plek in neemt in de bus, dat hij het hele stuk moeten doorfietsen naar Chur.

Het eerste stuk van de afdaling naar Sedrun en Disentis Muster loopt mooi naar beneden, maar door de tegenwind moeten we toch nog flink mee trappen. Daarna hebben we nog 62 km te gaan, met 600 daalmeters, en een onbehoorlijke wind.

Jan gaat op het verkeer letten en ik probeer mijn toertjes mee te draaien. Dat valt me zwaar, en als ik na een uurtje al na 10 sec wordt overgenomen door Vincent, is mijn rol duidelijk. Eerst naar de benzine pomp om te foerageren, voordat er nog een onverwachte klim, komt van 350 meter naar Films, Waldhuis.

Daarna kan het echte dalen gelukkig beginnen, ik herinner me nog van de vorige keer toen we tegengesteld reden, dat we om tunnels heen werden geleid. Daar heb ik nu geen zin in, dus rijden we eerst door een tunnel van 2,7 km die flink afloopt over de autoweg, en daarna nog eentje van 2,5 km die niet echt afloopt. De auto’s hebben daar geen zin om ons te wachten en dat geeft hachelijke situaties. Wel mooi een flinke winst in de afstand en zo zijn we toch nog voor vier uur in Chur.

Klaar om naar de bergen thuis te gaan . Ruim 950 km en 23000 hoogtemeters verder het was een heel pittige kluif, die veraangenaamd werd door het mooie weer, de hulp van Hebbo en Jan en het fietsgezelschap

Klimmen is toch ondanks alles het leukste wat er is,  Vroeger dartelde ik omhoog op de 42x 23, en 25 dat waren mijn verzetten. Op de vlakke stukken soms de 19, nu gebruik ik de vlakkere stukken om uit te rusten , en ik ben blij dat er zoiets bestaat als een compact en een “27’

Wat wel gebleven is is de beleving, of je nou de col hard op rijdt of een stuk langzamer. Het doet net zoveel pijn, en de uitzichten zijn hetzelfde, de overwinning op jezelf is hetzelfde, de ervaring is hetzelfde . En dagen dat je lekker klimt, of na een vakantie een fijn gevoel aan de beklimmingen over houdt, blijven talrijk.

Blijven trappen dus, volgend jaar misschien Vincents vice versa toertje of de steile pikken toer

 

Laatst aangepast op woensdag, 14 oktober 2009 05:25
 

Sponsors

Banner

Login formulier



Statistieken

Leden : 84
Artikelen : 28
Weblinks : 111
Artikelen bekeken hits : 23252

Wie is online

We hebben 4 gasten online

Advertenties

home_mijnntfu.jpg

Weerkamer

Teleweer.nl